HomeMijn geld beherenBelastingaangifte: wanneer brengt u uw werkelijke kosten in voor uw auto?

Belastingaangifte: wanneer brengt u uw werkelijke kosten in voor uw auto?

Op uw belastingaangifte kunt u kiezen hoe u uw woon-werkverkeer met uw eigen auto inbrengt. Wat zijn de voorwaarden? En vooral: welk systeem is het interessantste voor u?

Het begin van het fiscale jaar is de gelegenheid om na te gaan hoe u uw belastingaangifte kunt optimaliseren. Veel belastingbetalers vragen zich af wat ze moeten doen met de fiscale aftrek van hun auto. Moet u opteren voor het systeem van werkelijke kosten of bij het forfait blijven? Op welke criteria baseert u zich?

Beroepskosten aftrekken als loontrekkende?

U denkt misschien dat alleen zelfstandigen beroepskosten kunnen aftrekken. Dat is niet juist. Ook loontrekkenden kunnen dat.
Volgens de fiscus kan elke belastingplichtige kosten maken om beroepsinkomsten te krijgen. Een loontrekkende kan bv. voor eigen rekening boeken over zijn beroepsactiviteit kopen of zich abonneren op tijdschriften uit zijn sector. Ook verplaatsingskosten komen in aanmerking. Maar niet alles kan. De beroepsuitgaven moeten aan bepaalde criteria beantwoorden:

  • U moet het geld uitgegeven hebben om beroepsinkomsten te verkrijgen: de kosten voor uw woon-werkverkeer zijn bv. een beroepsuitgave. De kosten om uw kinderen van school te halen of om boodschappen te doen niet.
  • U moet het zelf betaald hebben: als uw bedrijf u een abonnement op een professioneel tijdschrift geeft, kunt u dat abonnement niet inbrengen. U hebt het niet zelf betaald.
  • U moet de uitgave gedaan hebben in het jaar waarin u de beroepsinkomsten gekregen hebt. Als u in 2013 een boek gekocht hebt, mag u het niet opnemen in uw belastingaangifte van 2015. Die heeft immers betrekking op uw inkomsten van 2014.
  • U moet ze kunnen verantwoorden: de uitgaven die u inbrengt, moeten beantwoorden aan de drie voorwaarden hierboven.

Uw woon-werkverkeer is dus een beroepsuitgave. U moet kunnen bewijzen dat u een eigen auto hebt waarmee u naar uw werk gaat. Verder moet u het aantal dagen dat u het vorige jaar gewerkt hebt invullen, evenals de afstand tussen uw werkplaats en uw huis. U vindt het aantal gewerkte dagen op uw individuele rekening. En via een routeplanner bewijst u het aantal kilometers dat u dagelijks aflegt om naar uw werk te gaan.

Forfaitaire kosten: de meest voor de hand liggende keuze

Als u geen beroepskosten inbrengt, past de fiscus het forfait toe. Dat wordt berekend volgens een barema in functie van uw inkomsten. Voor de inkomsten van 2014 is het forfait beperkt tot 3.950 euro. De fiscale barema’s werken per schijf. Uw inkomsten worden dus opgesplitst in verschillende schijven waarop de fiscus een forfaitair kostenpercentage toepast. Als u bv. in 2014 een belastbaar inkomen van 36.000 euro had, kunt u voor 3.092,37 euro aan beroepskosten inbrengen.

  • De eerste inkomstenschijf gaat van 0,01 tot 5.710 euro (5.710 euro - 0,01 euro = 5.709,99 euro). Daarop is een percentage van 28,7% van toepassing. De eerste schijf geeft dus recht op een aftrek van 1.638,77 euro.
  • De tweede schijf gaat van 5.710 tot 11.340 euro (11.340 euro - 5.710 euro = 5.630 euro). Daarop wordt een percentage van 10% toegepast. Die schijf levert dus een aftrek van 563 euro op.
  • Op de derde schijf van 11.340 tot 18.880 euro (18.880 euro - 11.340 euro = 7.540 euro) wordt er een percentage van 5% toegepast. Dat geeft dus 377 euro aan af te trekken kosten.
  • In ons voorbeeld gaat de laatste schijf van 18.880 euro tot het bruto belastbaar inkomen van 36.000 euro (36.000 euro - 18.880 euro = 17.120 euro). Daarop past de fiscus een percentage van 3% toe. Dat zorgt voor een bedrag van 513,60 euro aan aftrekbare kosten.

Als we die bedragen optellen, komen we aan een totaal van 3.092,37 euro.

Die berekening gebeurt automatisch. U moet niets vermelden op uw aangifte.

De werkelijke kosten: alleen als ze hoger zijn dan het forfait

Een andere mogelijkheid bestaat erin de werkelijke kosten aan te geven. Voor uw auto worden ze berekend volgens een forfait van 0,15 euro per afgelegde kilometer. Voor u dat systeem kiest, moet u weten of uw werkelijke kosten al dan niet hoger uitkomen dan het forfait waarop u recht hebt. Dat hangt af van twee parameters:

  • Het aantal dagen waarop u effectief naar uw werk bent gegaan (buiten uw vakantiedagen, de dagen waarop u ziek was of thuis gewerkt hebt).
  • De afstand die u afgelegd hebt om naar uw werk te gaan.

Dat systeem is alleen maar interessant als uw werkelijke verplaatsingskosten hoger liggen dan het forfait.

Hoe berekent u dat?

We verduidelijken het met een voorbeeld:

  • We gaan ervan uit dat u in 2014 een belastbaar inkomen van 36.000 euro had.
  • In dat jaar waren er 252 werkdagen. Als u 22 vakantiedagen hebt genomen, hebt u dus 230 dagen gewerkt.
  • Volgens het forfaitair systeem hebt u recht op 3.092 euro aan beroepskosten.
  • Als u alleen uw woon-werkverkeer aftrekt, moet u dus meer dan 13,44 euro aan verplaatsingskosten per dag (3.092 euro gedeeld door 230 dagen) kunnen verantwoorden. Aan 0,15 euro per kilometer komt dat neer op 89,60 kilometer per dag (heen en weer). U moet dus op minstens 45 km van uw werkplaats wonen om meer te halen uit het systeem van de werkelijke kosten.

En als ik mij vergis?

Zoals u ziet, moet u enkele berekeningen maken om te weten welk systeem het interessantste is voor u. Maar wat als u zich vergist? U verliest niets. Volgens de wet is de fiscus verplicht om de beste oplossing voor u te kiezen. Als u dus voor werkelijke kosten gekozen hebt, maar als het forfait interessanter is, krijgt u automatisch het forfait. U hoeft zelf niets te doen.